Wat zijn kindsoldaten?
Lees dit rapport in boekvorm
Download in PDF formaat
Wereldwijd zijn er tussen de 250.000 en 300.000 kindsoldaten. Althans, dat stelt de VN. Dit aantal is in de afgelopen tien jaar vrijwel stabiel gebleven, ondanks alle inspanningen van internationale instituties, de introductie van informele internationale wetgeving, en het eindigen van verschillende Afrikaanse oorlogen, waaraan tienduizenden kindsoldaten deelnamen. Het aantal kindsoldaten dat wereldwijd mee zou vechten in oorlogen, of anderszins actief zou deelnemen aan gewapende strijd, berust op een zeer ruwe schatting, die betwistbaar is.
In Sierra Leone bijvoorbeeld, ondergingen in totaal 6.845 kindsoldaten een demobilisatie en rehabilitatieproces[i], waarvan een deel van hen nooit had gevochten of bij de gewapende groeperingen aangesloten was geweest. Zij hadden op andere manieren aan een wapen weten te komen, waarmee zij zichzelf bij de autoriteiten presenteerden om te profiteren van de reïntegratieprogramma’s. Daarnaast zijn vele vrijwillige ex-kindsoldaten in Sierra Leone nooit ‘officieel’ demobiliseerd[ii], en hun ‘koppen’ zijn dan ook nooit geteld. Maar ook gedwongen kindsoldaten in Sierra Leone besloten in vele gevallen geruisloos terug naar huis te keren, uit angst dat deelname aan reïntegratieprogramma’s een stigmatiserend effect op hen zou hebben. Deze kindsoldaten zijn nooit opgenomen in de tellingen, terwijl kinderen en jongeren die niet hebben gevochten ten onrechte wel werden meegeteld. Het werkelijke aantal kindsoldaten kan daarom zowel meer als minder dan 300.000 bedragen.
DEFINITIE KINDSOLDAAT
Elk persoon, jonger dan 18, die deel uitmaakt van een reguliere of irreguliere gewapende macht of groepering, eender in welke hoedanigheid. Onder de term kindsoldaten vallen daarom ook koks, spionnen, boodschappers, portiers, en ieder ander die zich aan de zijde van gewapende groeperingen bevindt, anders dan familieleden. De definitie sluit ook meisjes in die voor seksuele doeleinden worden gerekruteerd, of tot huwelijken worden gedwongen. Een kindsoldaat is derhalve niet enkel een kind dat wapens draagt, of heeft gedragen.
(Cape Town Principles, opgesteld door de VN in 1997)
EEN NIEUW FENOMEEN?
De afgelopen tien jaar is er in de media veel aandacht voor kindsoldaten. De actieve deelname van kinderen aan oorlogen wordt veelal als een nieuw verschijnsel beschouwd, wat voort zou komen uit een veranderde manier van oorlogsvoering in ‘minder ontwikkelde landen’ en de toename van de verspreiding van lichte wapens, die makkelijk bediend zouden kunnen worden door kinderen. De grote aandacht voor dit fenomeen kwam naar aanleiding van een rapport dat in 1996 werd opgesteld Graça Machel[iii] in opdracht van de kinderrechten organisatie van de VN, UNICEF.
HISTORIE
Deelname van kinderen aan gewapende strijd is echter geenszins een nieuw verschijnsel. Het vroegste bewijs van betrokkenheid van kinderen bij gewapend conflict, dateert uit het Spartaanse tijdperk waar jongens vanaf 7-jarige leeftijd militaire training kregen[iv]. In de Middeleeuwen werden de schandknapen van ridders als jonge tieners geïnitieerd in hun beroep, toen Napoleon luitenant werd was hij minderjarig, en ook in de Amerikaanse Burgeroorlog waren er kindsoldaten onder de gelederen[v].
In het 19e eeuwse Cheyenne was het de gewoonte dat jongens op 14 of 15-jarige leeftijd hun eerste oorlogservaringen opdeden[vi]. Tot voor kort werden ook in West-Europese en de Amerikaanse legers minderjarigen ingezet in de gewapende strijd. In Groot-Brittannië is men pas zeer recent gestopt met de inzet van 17-jarigen in gewapende strijd, en in Nederland maken 17-jarigen nog altijd deel uit van het nationale leger.
PROLIFERATIE VAN LICHTE WAPENS
Vaak wordt de oorzaak van het voorkomen van kindsoldaten gelegd bij ‘het feit’ dat in deze moderne tijd ultralichte wapens geproduceerd worden, die makkelijk door kinderen bediend kunnen worden. Jonge mensen zouden nu makkelijker kunnen deelnemen aan gewapend conflict, waar vroegere wapens, vanwege hun complexiteit in bediening en gewicht, alleen gehanteerd zouden konden worden door volwassenen[vii].
Er bestaat echter geen enkel bewijs dat de makkelijke verkrijgbaarheid van lichte wapens verband houdt met de inzet van kindsoldaten: lichte wapens worden reeds sinds 1861 geproduceerd[viii]. Bovendien worden in vele oorlogen andere wapens dan vuurwapens gebruikt. De oorlogen in Rwanda, Sierra Leone en Liberia, waar veel kindsoldaten meevochten, werden bijvoorbeeld grotendeels met machetes (kapmessen) en cutlasses (messen voor landbouw) uitgevochten.
VERANDERDE MANIER VAN OORLOGSVOERING
Door veranderde manieren van oorlogsvoering zouden kinderen nu een voornaam doelwit van gewelddadigheden en rekrutering vormen, waar daar in vroeger tijden een taboe op gerust zou hebben. Hedendaagse conflicten in ‘minder ontwikkelde landen’ zouden gewelddadiger zijn en er zouden meer wreedheden worden begaan[ix]. Traditionele oorlogen zouden duidelijke politieke doeleinden hebben gekend en uitgevochten zijn naar algemene wetten van oorlogsvoering, waar nieuwe oorlogen worden beschouwd als doelloos, hyperpolitiek, een manier van leven[x], of gedreven door economische hebzucht. Politieke doeleinden zouden plaats gemaakt hebben voor meer lokale en onmiddellijke doeleinden, en het ontstaan van oorlogseconomieën. Geweldpleging zou vaak geen ander doel hebben dan de instandhouding van conflict ten behoeve van materieel gewin[xi].
Maar hoe oorlogen ook worden gevoerd, en om welke redenen oorlogen ook worden gevoerd, een typisch kenmerk van oorlogen is de bloederigheid ervan, en in iedere oorlog vallen burgerslachtoffers. Oorlog is strategie, sterker zijn dan de vijand, maar bovenal slimmer zijn dan de vijand. In oorlogen, waar ook ter wereld, bepalen de gewapende groeperingen meestal zelf de regels, en werden oorlogen in de geschiedenis ook niet netjes volgens ‘de regels’ uitgevochten. Moraliteit en oorlog gaan nu eenmaal slecht samen. Oorlog is oorlog. De oorzaak van het vaker voorkomen van kindsoldaten in hedendaagse oorlogen moet dus ergens anders gezocht worden.
KINDERTIJD
De deelname van kinderen aan oorlogen is dus niet nieuw. Wat wel nieuw is, is de veroordeling ervan (op het ethische, culturele en sociale vlak). Deze veroordeling hangt samen met veranderende ideeën over de kindertijd als aparte levensfase. In een groot aantal landen ter wereld worden kinderen vrijgesteld van arbeid en het dragen van verantwoordelijkheden, en bestaat er een ideaalbeeld dat kinderen een ‘zorgeloze kindertijd’ zouden moeten genieten. Dit is echter geen vanzelfsprekendheid. In vele landen werken kinderen mee om hun families te onderhouden, en is het onmogelijk hen weg te houden van ellende en verantwoordelijkheden. Niet meewerken betekent in veel gevallen dat kinderen geen eten kunnen krijgen; hun ouders kunnen zonder de inzet van hun kinderen simpelweg niet genoeg geld verdienen om het hele gezin te onderhouden.
Het idee van een aparte kindertijd als zorgeloze levensfase past alleen bij welvaartsstaten, waar gezinnen zich het kunnen veroorloven hun kinderen vrij te stellen van arbeid. In verschillende samenlevingen worden kinderen verantwoordelijkheden toegewezen en bestaat er geen duidelijk onderscheid tussen werk en spel[xii]. Competentie wordt vaak bepaald aan de hand van het vermogen bepaalde taken uit te voeren en het vermogen bepaalde verantwoordelijkheden te dragen[xiii].
In sommige samenlevingen worden personen op 14-jarige leeftijd als volwassene gezien[xiv], terwijl in andere samenlevingen volwassenheid pas wordt bereikt op 35-jarige leeftijd[xv]. Verschillen in omgevingsvoorwaarden spelen een belangrijke rol in de mogelijkheden en uitdagingen waar mensen zich voor gesteld zien en daarmee op de taken en verantwoordelijkheden die de leden van samenlevingen toebedeeld krijgen. De situatie bepaalt welke bijdrage kinderen aan de samenleving moeten leveren en hoe hun rol daarin gewaardeerd wordt. Kindertijd, jeugd en adolescentie moeten daarom beschouwd worden als sociale en culturele constructies, die direct samenhangen met socio-economische, politieke en omgevingsfactoren[xvi]. De kindertijd is dus een constructie die samengaat met levensomstandigheden. Het is variabel, en contextspecifiek[xvii].
UNIVERSELE KINDERRECHTEN
De definitie van kindsoldaten werd opgesteld in het kader van de universele mensenrechten, die ieder mens verondersteld wordt te hebben, in gelijke mate. Met het vastleggen van de universele mensenrechten en bijbehorende kinderrechten, probeerde de VN een informele internationale wetgeving op te stellen, die fenomenen als actieve deelname aan gewapende strijd door kinderen, in de toekomst te voorkomen en bestrijden.
Omdat kinderen vanwege hun afhankelijkheid verondersteld worden niet voor hun eigen rechten op te kunnen komen, wordt hen door de VN speciale bescherming verleend door middel van de Conventie inzake de Rechten van het Kind (CRC). In deze conventie worden personen die jonger zijn dan 18 jaar verondersteld mentaal onontwikkeld te zijn en niet in staat weloverwogen beslissingen te nemen over hun eigen leven en toekomst, vanwege hun zogenoemde psychologische onvermogen alle mogelijke consequenties van hun handelen tegen elkaar af te wegen[xviii].
Ieder kind zou het recht hebben om in een staat van vrede en veiligheid, door middel van adequate gezondheidszorg, toegang tot onderwijs en de beschikking over vrije tijd, tot volledige ontwikkeling te komen. De familie wordt daarbij aangemerkt als de fundamentele groep in de samenleving, die in de zorg en het welzijn van het kind kan voorzien. Ieder kind zou daarom op moeten groeien in familiekring, in een atmosfeer van geluk, liefde en begrip.
HOE UNIVERSEEL IS UNIVERSEEL?
Hoewel de universele kinderrechten misschien nastrevenswaardige idealen zijn, zijn het ook idealen die echter zelfs in vredestijd in vele verschillende samenlevingen niet haalbaar blijken. In verschillende gemeenschappen is het bijvoorbeeld normaal dat kinderen bij vreemden opgroeien, omdat dit voor hen de enige manier is om te kunnen overleven. In gebieden waar grote armoede heerst, moet men vaak roeien met de riemen die men heeft, en is het vaak juist in het belang van het kind, als men naar andersoortige manieren van opvoeden zoekt. In oorlogssituaties raken vele kinderen één of beide ouders kwijt, en soms zelfs hun volledige familie. Daarnaast vallen voorzieningen als gezondheidszorg en onderwijs vaak voor langere tijd weg. Het is daarom voor de hand liggend dat gemeenschappen andere oplossingen moeten zien te vinden om de jongsten onder hen te verzorgen, en is men niet altijd in staat kinderen volledige bescherming te bieden.
‘Begrip’ over eigen handelen verschilt van mens tot mens, en dus ook van kindsoldaat tot kindsoldaat. De achttienjarige leeftijd is geen magische grens, waarop ‘begrip’ ineens neerdaalt uit het onzichtbare. Begrip groeit met de jaren, en met de omstandigheden. Een twaalfjarige die al jarenlang in een oorlogssituatie leeft, en van zijn omgeving leert dat moorden, doden, martelen en verkrachten ‘slecht’ is, heeft een heel ander begrip dan een twaalfjarige die nooit direct met gevechtshandelingen te maken heeft gehad, en ook nooit iets heeft geleerd over geweldpleging in oorlogen. Welk begrip kindsoldaten over hun eigen handelen hebben, hangt dus af van hun ‘socialisatie’ en hun levensomstandigheden.
WIE ZIJN KINDSOLDATEN?
Hoewel we het steeds over ‘kindsoldaten’ of ‘de kindsoldaat’ hebben, zijn er onder hen meer verschillen dan overeenkomsten aan te wijzen. Redenen voor deelname aan gewapende strijd door kinderen en jongeren zijn zeer uiteenlopend. Er zijn gevallen bekend van vierjarige kinderen die ontvoerd werden door gewapende groeperingen en ingezet werden als levend ‘kanonnenvoer’. Er zijn gevallen bekend van kinderen die geboren worden binnen gewapende groeperingen en van baby af aan worden opgevoed tot strijder. Het merendeel van alle kindsoldaten echter, ongeveer 70%, is ouder dan twaalf jaar. En niet alle kindsoldaten worden door middel van dwang of ontvoering gerekruteerd. In tegendeel. De overgrote meerderheid meldt zich vrijwillig aan[xix]. Omdat geen kwantitatief onderzoek wordt verricht naar de manieren van rekrutering, bestaat er geen sluitende informatie over de precieze aantallen. Volgens de laatste schattingen neemt ongeveer 70% van de kindsoldaten zelf het initiatief tot deelname[xx].
Samengevat bestaan er dus verschillende soorten kindsoldaten:
- Jonge kinderen (0-12) (naar schatting 30%)
- Jongeren (12-18) (naar schatting 70%)
- Vrijwillige kindsoldaten (naar schatting 70%)
- Gedwongen kindsoldaten (naar schatting 30%)
WAT ZIJN DE VERSCHILLEN?
Kindsoldaten verschillen niet alleen in leeftijd en de manier waarop ze gerekruteerd worden van elkaar; ook hun ervaringen zijn zeer uiteenlopend. Sommige kindsoldaten leven bij hun gewapende groeperingen in voortdurende angst, sommigen van hen ontpoppen zich tot leiders en krijgen op een bepaalde manier plezier in het vechten, en weer anderen nemen niet graag deel aan gevechten, maar verblijven wel liever bij de gewapende groeperingen omdat ze zich dan meer beschermd voelen, dan als burger.
Ook na hun deelname zijn er veel verschillen aan te wijzen tussen ex-kindsoldaten. Een aantal van hen houden zware psychologische trauma’s over aan hun deelname, een aantal van hen ondervind psychologische problemen maar kunnen desondanks goed functioneren, een aantal van hen kan geen afscheid nemen van het vechten en gaat op zoek naar andere oorlogen, anderen ondervinden helemaal geen problemen bij hun reïntegratie en bouwen zelfstandig succesvol een nieuwe toekomst op. Veruit de meeste ex-kindsoldaten ondervinden nauwelijks tot geen psychologische problemen, maar kunnen vaak op sociaal gebied moeilijk in de naoorlogse samenleving integreren[xxi].
Hoe kindsoldaten hun tijd bij een gewapende groepering beleven, verschilt van persoon tot persoon. Net als het rehabilitatieproces. Toch zijn er een aantal factoren aan te wijzen die een grote rol spelen:
1. Hun rol of functie binnen de gewapende groepering: Er zijn grote verschillen aan te wijzen tussen degenen die vochten, en degenen die indirect deelnamen aan de gewapende strijd. Daarnaast heeft hun functie of rol invloed op hun ervaringen. Als de functie bijvoorbeeld niet bij de capaciteiten of talenten van de persoon past, of juist heel goed past, dan zullen de ervaringen uiteenlopen.
2. Of ze wel of niet invloed kunnen/konden uitoefenen op hun situatie: Ook al worden kinderen gedwongen tot deelname, wil dat nog niet zeggen dat zij geen enkele invloed kunnen uitoefenen op hun situatie. Vele kindsoldaten ontwikkelen strategieën waardoor zij bijvoorbeeld niet of minder vaak hoeven mee te vechten.
3. Hoe ze zich hun rol of functie eigen maken of zelfs vormgeven: Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt kindsoldaten van minuut tot minuut verteld wat ze wel en niet mogen en moeten. Van het LRA in Oeganda is bijvoorbeeld bekend geworden dat kindsoldaten zelfs niet onderling mogen spreken, of plezier maken. In de meeste gevallen echter, krijgen kindsoldaten verantwoordelijkheden en functies toegewezen, waarin zij een grote mate van vrijheid krijgen.
4. Het karakter van de gewapende groepering: Sommige gewapende groeperingen voeren een terreurbewind over hun kindsoldaten, andere gewapende groeperingen echter, beschouwen de jongsten onder hun gelederen juist als heel waardevol. De behandeling die de verschillende gewapende groeperingen hanteren voor hun kindsoldaten, is van grote invloed op hun ervaringen. Daarnaast spelen de tactieken en strategieën die de gewapende groepering hanteren een grote rol: de RUF in Sierra Leone bijvoorbeeld gebruikte terreur als belangrijkste wapen. Kindsoldaten werden gedwongen burgers te verminken, en te vernederen. De Kamajors, een andere gewapende groepering in Sierra Leone, probeerde de burgers juist te beschermen tegen de rebellen, en werd er door vele ex-kindsoldaten slechts gedood in gevechtssituaties.
5. Het doel van de gewapende groepering: Er bestaan grote verschillen tussen vechten voor ‘the good guys’ en vechten voor ‘the bad guys’. Wie voor de ‘good guys’ vecht, brengt een offer, maar wel een offer waar vele ex-kindsoldaten uiteindelijk trots op zijn. De jongste rekruten begrijpen vaak niet wat de inzet van hun gewapende groepering is, en geloven in de doctrines die hen worden bijgebracht. Jongeren begrijpen echter vaak juist heel goed waar de gewapende strijd om gaat, en waar hun groepering voor vecht. Als jongeren ontvoerd worden door een rebellengroepering, die zij zelf als de vijand beschouwen, ervaren zij hun tijd als kindsoldaat heel anders dan wanneer ze gerekruteerd zouden zijn geweest door een groepering achter wiens ideologie zij zich hadden kunnen scharen.
6. De mening van ‘burgers’ en buitenstaanders over hun participatie en de gewapende groepering waarbij zij vechten/vochten: Kindsoldaten die niet begrepen waarom ze vochten, hebben er vaak moeite mee hun eigen deelname in perspectief te plaatsen. Sommigen dachten jarenlang dat ze voor ‘de goede zaak’ vochten en werd hen pas na de oorlog duidelijk hoe destructief hun gewapende groepering geweest is. Hoe kindsoldaten hun deelname ervaren is niet statisch en verandert door de jaren heen, zelfs na hun rehabilitatie. De manier waarop anderen tegen hun deelname aankijken, is daarbij van doorslaggevend belang.
WAAROM VECHTEN KINDEREN MEE?
GEDWONGEN KINDSOLDATEN
Vele commandanten en officieren hebben verklaard kindsoldaten te gebruiken omdat zij gehoorzamer zijn dan volwassen, minder vrees kennen, en makkelijk te beïnvloeden zijn. Daarnaast heeft de inzet van kinderen een belangrijk strategisch voordeel: veel legers kennen een verbod op geweld tegen kinderen, en zij mogen dan ook het vuur niet openen op minderjarigen. Gewapende groeperingen die weinig steun krijgen van de bevolking, en toch de strijd willen voortzetten, kunnen vaak niet genoeg vrijwillige rekruten aantrekken. Zij gaan over tot ontvoeringen om mensen te dwingen zich bij hen aan te sluiten. Een kind is makkelijker te ontvoeren en te dwingen dan een volwassene.
VRIJWILLIGE KINDSOLDATEN
De belangrijkste redenen voor participatie zijn armoede, wraak, economische of educatieve mogelijkheden, bescherming en de aanwezigheid van gewelddadig conflict. In gebieden die getroffen worden door oorlogen zijn vaak weinig voorzieningen aanwezig. Deelname aan gewapende groeperingen kan de enige kans op onderwijs, voedsel of onderdak betekenen en daarom een aantrekkelijk alternatief bieden[xxii].
HET PRINCIPE VAN VRIJWILLIGHEID
‘Hoe vrijwillig is vrijwillig?’ is een vraag die onherroepelijk verbonden is met het fenomeen kindsoldaten. Begrijpen ‘kinderen’ wel genoeg van oorlog om een weloverwogen keuze te maken? Begrijpen ze wel goed genoeg wat ‘de dood’ inhoudt? En kunnen ze de impact van hun daden wel overzien? Op deze vragen is geen eensluidend antwoord te geven. Sommige kindsoldaten hebben inderdaad een zeer beperkt begripsvermogen, maar andere kindsoldaten weten juist heel goed waar de strijd om gaat, wat ‘de dood’ is omdat ze daar bijvoorbeeld van hun eigen naasten getuige van zijn geweest, en velen van hen weten ook exact wat de directe impact van hun daden is.
Vele kindsoldaten zijn belangrijke voorvechters van hun idealen. Soms worden ze bijvoorbeeld al langere tijd onderdrukt door de oudere generaties van hun bevolking, en is gewapende strijd voor hen de enige uitweg om zich ‘vrij te vechten’.
Uit andere redenen voor participatie – namelijk de aanwezigheid van conflict, armoede, wraakneming en economische of educatieve redenen[xxiii] – lijkt in eerste instantie een meer dwingende werking uit te gaan. Toch neemt het grootste gedeelte van de jonge mensen die zich in conflictsituaties bevinden geen deel aan de gewapende strijd en dit vormt een belangrijke aanwijzing voor het principe van vrijwilligheid. Waarom kiest het ene kind er wel voor om deel te nemen aan de gewapende strijd, en het andere niet? Dezelfde vraag geldt overigens voor volwassenen, die veelal om precies dezelfde redenen bij gewapende groeperingen betrokken raken als vrijwillige kindsoldaten[xxiv].
De voornaamste reden waarom jonge mensen zich in de genoemde situaties aansluiten bij gewapende groeperingen is ten behoeve van hun eigen overleving. In oorlogssituaties kunnen kinderen en jonge mensen niet altijd rekenen op de steun van volwassenen. Het zoeken naar andere manieren van overleven, door zich in de zorg van een gewapende groepering te stellen, kan in plaats van als kwetsbaarheid ook als veerkrachtig gezien worden[xxv].
De stelling dat kindsoldaten niet in staat zouden zijn onderscheid te maken tussen verschillende gezichtspunten en belangen, en bovendien de gevolgen van hun geweldpleging niet zouden kunnen overzien, geldt alleen voor de jongste rekruten. Er zijn maar weinig jonge mensen die op zoek gaan naar oorlog, veelal bevinden zij zich al in een oorlogssituatie waar zij geconfronteerd worden met vernielingen van huizen en goederen, extreme gewelddadigheden, brute moorden, en verkrachtingen, vaak zelfs van hun buren of familieleden. Vanwege hun ervaringen zijn zij daarom juist heel goed op de hoogte van de consequenties van extreme geweldpleging en de permanentie van de dood. Ook al zijn ze zelf geconfronteerd met het verdriet dat daaruit voortkomt, toch weerhoudt dat hen er niet van om te gaan vechten. Wraakgevoelens vormen voor velen van hen zelfs een belangrijke reden om de wapens op te nemen[xxvi].
TRAUMA
Een aantal kindsoldaten raakt zwaar psychologisch getraumatiseerd door hun deelname aan de gewapende strijd. Het overgrote merendeel echter, houdt geen significante psychologische trauma’s over aan hun deelname. De uitspraak dat kindsoldaten ‘wandelende tijdbommen’ worden, die ieder moment kunnen ‘afgaan’ en afschuwelijk gewelddadig zouden kunnen worden, is niet gebaseerd op de werkelijkheid. Wereldwijd zouden er 300.000 kindsoldaten meevechten. Jaarlijks. Op het grote geheel gezien, wordt slechts een handjevol van hen in psychologisch opzicht geholpen, en toch doen er zich nauwelijks gewelddadige incidenten rond ex-kindsoldaten voor. De praktijk in Sierra Leone bewijst zelfs dat ex-kindsoldaten banger zijn voor geweld dan hun leeftijdsgenoten die niet hebben gevochten[xxvii].
Net als ideeën over hoe de kindertijd er ideaalgesproken uit zou moeten zien, berust het idee dat vroege emotionele ervaringen de volwassen persoonlijkheid vormgeven op een westers concept[xxviii], dat voortkomt uit westerse idealen over een zorgeloze kindertijd en westerse denkbeelden over de vermogens en capaciteiten van kinderen. De notie dat kindsoldaten voor het leven verpest zouden zijn, in een cyclus van geweldpleging terecht zouden komen, en ‘wel zwaar psychologisch getraumatiseerd moeten zijn’, is dus helemaal niet zo vanzelfsprekend. Dit heeft deels te maken met verschillen in culturele en sociale opvattingen: Doordat verschillende volkeren en culturen verschillende concepties over de kindertijd hanteren verloopt de ontwikkeling van kinderen overal volgens een ander patroon en kan niet zomaar gesteld worden dat kinderen bepaalde zaken hebben ‘overgeslagen’, dat hun ontwikkeling heeft stilgestaan en dat zij bepaalde fasen van de ontwikkeling zouden moeten inhalen, als gevolg van hun deelname aan de oorlog. In tijden van oorlog of ontberingen is er vaak zelfs sprake van een verhoogde ontwikkeling, waarin kinderen zich in een rap tempo vaardigheden moeten eigen maken voor hun overleven en verantwoordelijkheid voor zichzelf en anderen leren dragen.
Belangrijker echter, is het feit dat gedrag en handelen in de context van oorlog geplaatst moet worden. De meeste ex-kindsoldaten zijn goed in staat om oorlogstijd en vredestijd van elkaar te scheiden. Wat in oorlogstijd noodzakelijk is, wordt in vredestijd niet geaccepteerd. Geen enkel mens wordt geboren met de notie dat moorden niet mag, dit zijn ideeën die ons in opvoeding worden aangeleerd. In oorlog staat de wereld op zijn kop: wat normaal gesproken niet mag, moet nu ineens. Kindsoldaten worden aangemoedigd wreedheden te begaan en worden er om geprezen of zelfs gepromoveerd naar een hogere functie. De jongste kindsoldaten die voor en tijdens hun deelname niet begrepen dat moord, marteling, verkrachting en andere vormen van onderdrukking niet getolereerd gedrag is in een vredige samenleving, leren tijdens hun reïntegratie in het sociale leven (met name de eigen familie, leeftijdsgenoten en school) wat nu wel en niet toelaatbaar gedrag is. Met vallen en opstaan. Kindsoldaten die dat voordien wel begrepen, zullen gewelddadig gedrag (zodra het niet meer functioneel is) uit zichzelf achter zich laten.
KINDSOLDATEN HELPEN
Hoe moeten kindsoldaten nu eigenlijk geholpen worden? Een benadering die uitgaat van de passiviteit van het kind, houdt geen rekening met de veerkracht en het actieve probleemoplossingvermogen die deze kinderen hebben, wat hun copingstrategieën (hoe problemen het hoofd worden geboden) kan ondermijnen[xxix]. Wanneer wordt uitgegaan van emotionele en psychologische zwakten, slachtofferschap en achterstanden in de ontwikkeling, wordt voorbijgegaan aan de kracht die kindsoldaten hebben getoond in extreme omstandigheden, de ontwikkeling die zij hebben doorgemaakt tijdens hun participatie in gewapend conflict en wordt hun status als overlevende genegeerd. Want ondanks hun ontberingen slagen ook zeer veel kinderen erin creatieve oplossingen voor moeilijke omstandigheden te vinden[xxx].
Kindsoldaten komen veelal voor in de armste samenlevingen ter wereld. Enerzijds is het moeilijk om kindsoldaten aparte hulpverlening te bieden, omdat dit in veel gevallen een stigmatiserende uitwerking op hen heeft. Overwogen moet dus worden of hulpverlening hen goed of slecht doet, waarbij als voornaamste doel moet gelden dat zij gerespecteerde leden van hun samenleving moeten worden. Leden die bijdragen aan de wederopbouw van hun samenleving, en stabiele vrede nastreven. Vele burgers zijn angstig voor kindsoldaten, en hebben er daarom moeite mee hen in hun midden te op te nemen en weer te vertrouwen. Ook aan hún zorgen mag niet voorbij worden gelopen.
Psychologische hulpverlening is in veel gevallen (in beginsel) niet nodig. In de eerste plaats omdat psychologisch trauma een niet veel voorkomend verschijnsel is onder kindsoldaten. Veel samenlevingen hebben hun eigen manieren om kindsoldaten weer in hun midden op te nemen, welke benut dienen te worden. Trauma’s kunnen worden aangepraat, en psychologische hulpverlening bieden kan daarnaast een stigmatiserend effect hebben op kindsoldaten, of hen zelfs in een neerwaartse spiraal drukken.
Hulpverlening met inachtneming van bestaande sociale en culturele constructies mag ideaal lijken, echter, in veel oorlogen zijn het juist de bestaande constructies die onderdrukkend werken op jongere generaties, en voor vele kindsoldaten de reden voor hun deelname aan gewapend conflict. Wanneer hulpverlening geen rekening houdt met onderdrukkende factoren in de samenleving, kan hulpverlening juist averechts werken, de reden voor conflict in stand houden, of zelfs nieuw conflict aanwakkeren.
In religieuze samenlevingen, vormt religie een belangrijke tool bij de reïntegratie van kindsoldaten, waaraan in huidige hulpverleningsmodellen voorbij wordt gelopen. Acceptatie door de gelovige gemeenschap, en vergiffenis van God, fungeren als een belangrijk vangnet en een belangrijke leidraad voor wat ‘goed’ en ‘kwaad’ is. Omdat vele kindsoldaten leugens wordt en werd verteld, en zij daar in veel gevallen pas na hun deelname achterkomen, leren zij hun omgeving te wantrouwen. Gelovige kindsoldaten vinden hun waarheid in de religie, waarbij zij niet meer afhankelijk hoeven te zijn van de grilligheid en dubbelzinnige motieven van hun omgeving.
Bij het bieden van hulpverlening moet gekeken worden naar de lange termijn. Korte programma’s die zich concentreren op de ergste nood, werken vaak slechts als een doekje tegen het bloeden en kunnen valse hoop wekken, wat uiteindelijk een desastreuze uitwerking kan hebben op kindsoldaten.
SOCIAAL TRAUMA
De meeste kindsoldaten kunnen vaak op eigen kracht redelijk integreren in de samenleving. Hoewel vaak beweerd wordt dat zij verstrikt raken in een cyclus van geweldpleging, spreekt de realiteit van de dagelijkse praktijk dat tegen. Voor velen van hen geldt echter dat zij een sociaal trauma oplopen door hun deelname: vaak heeft hun professionele ontwikkeling (educatie) lange tijd stil gestaan of is zelfs helemaal niet ontwikkeld. Kindsoldaten hebben daarom na hun deelname vaak moeite een zelfstandig bestaan op te bouwen. Velen van hen zijn een of beide ouders verloren, of kunnen niet meer terecht bij hun families, waardoor zij er alleen voor staan. In arme samenlevingen, waar geen algemene sociale voorzieningen worden getroffen door overheden, en waar de familie de ruggengraat voor sociale zekerheid vormt, leiden kindsoldaten dan ook een heel onzeker bestaan. Velen van hen belanden aan de rand van de samenleving, waar de criminaliteit op de loer ligt.
In landen waar weinig voorzieningen zijn, en er geen goed functionerend sociaal vangnet bestaat, zijn kindsoldaten een speelbal van de samenleving. Om hun situatie minder kwetsbaar te maken, zijn zij het beste geholpen bij praktische hulpverlening, die gericht is op het ontwikkelen van zelfstandigheid, en die bijdraagt aan hun reïntegratie op sociaal niveau.
Het allerbelangrijkst voor hun reïntegratie in de samenleving is, dat kindsoldaten geaccepteerd en vergeven worden door hun omgeving. Als de samenleving er niet voor openstaat kindsoldaten weer op te nemen in hun midden, kan men het beste eerst proberen uit te vinden wat daar de reden voor is. In Mozambique bijvoorbeeld, geloofden sommige gemeenschappen dat kindsoldaten bezeten waren, en moesten er eerst ‘reinigingsrituelen’ uitgevoerd voordat de kindsoldaten weer opgenomen konden worden. In Sierra Leone werden er door de overheid en de VN campagnes gevoerd, die er bij de bevolking voor pleitte kindsoldaten weer in hun midden op te nemen. Dit werkte goed, mede omdat ‘vergiffenis’ een belangrijke culturele waarde is in Sierra Leone. Nu 8 jaar na hun reïntegratie blijkt echter dat ‘burgers’ nog steeds zeer negatieve ideeën hebben over ex-kindsoldaten. Omdat men denkt dat kindsoldaten niet kunnen veranderen, blijven burgers angst houden voor ex-kindsoldaten. Hierdoor voelen ex-kindsoldaten zich buitengesloten en is het voor hen moeilijk sociale relaties aan te gaan. Mensen proberen te leren dat kindsoldaten wel degelijk kunnen veranderen is één mogelijk, maar zien is geloven, en daarom zouden kindsoldaten de kans moeten krijgen zich te bewijzen. Wie kan laten zien dat hij veranderd is, bijvoorbeeld omdat er geen verschillen meer bestaan tussen hen en hun leeftijdsgenoten, wekt meer vertrouwen bij ‘burgers’.
Meedoen is een belangrijke voorwaarde voor reïntegratie. En meedoen betekent dat kindsoldaten met beide benen stevig in de maatschappij geplant moeten worden. Door hen naar school te laten gaan bijvoorbeeld, of hen een beroep te leren, waardoor ze een baan kunnen vinden, en een ‘normaal’ leven kunnen leiden.
INGRIJPEN – JA OF NEE?
Als kindsoldaten op eigen kracht redelijk kunnen reïntegreren, pyschologisch trauma niet zo vaak voorkomt en bovendien hulpverlening stigmatiserend kan werken, moet je kindsoldaten dan eigenlijk wel helpen? Het antwoord is ja. Een sociaal trauma mag niet onderschat worden: wie niet meekomt in de samenleving, leeft zijn leven in eenzaamheid en wie niet op eigen benen kan staan, is in een arme samenleving zelfs onzeker over zijn eigen overleven.
Integreren bestaat op verschillende niveaus. Leren wat de normen en waarden van de naoorlogse samenleving zijn, en gewelddadig gedrag ‘afleren’ is maar een klein onderdeel van het integratieproces. Kindsoldaten leren uiteindelijk door sociale omgang en interactie met anderen het beste wat de normen en waarden van de samenleving zijn, en doordat jonge mensen nu eenmaal graag ‘ergens bij willen horen’ zit daar een belangrijke sleutel voor hun reïntegratieproces. Op school bijvoorbeeld, kunnen ze onder hun leeftijdsgenoten leren wat wel en niet geaccepteerd gedrag is onder hun eigen leeftijdsgroep. In de eigen familie, of omgeving leren kindsoldaten over de samenlevingsnormen en waarden en de cultuur. Kindsoldaten die geen ouders meer hebben, of niet meer bij hun familie terecht kunnen, zijn het beste af in een familiesetting, waar zij ondersteuning van kunnen krijgen en de nodige ondersteuning om zich aan een leven als burger aan te kunnen passen. Een tehuis is slechts voor een korte tijd een goede oplossing, en dient niet voor meer te dienen dan als transitie fase, omdat het leven in tehuizen typisch anders is dan een leven in de samenleving en kindsoldaten juist moeten leren hoe het ‘gewone leven’ in elkaar zit.
Kindsoldaten die als jongere, of jongvolwassene uit de strijd komen, kunnen zich daarentegen soms slecht aanpassen aan het familie- of gezinsleven, omdat zij tijdens hun periode bij de gewapende groeperingen een grote mate van vrijheid gekend hebben. Sommigen van hen hebben wat stimulans nodig om zich aan te passen, terwijl anderen er meer bij gebaat zijn een zelfstandig bestaan op te bouwen. Kindsoldaten die bij de gewapende groepering een partner en kinderen hebben gekregen, moeten na afloop van de oorlog vaak gedwongen scheiden van hun gezin. Soms door inmenging van anderen, maar meestal doordat zij hun gezinnen niet kunnen onderhouden en jongens daarom liever hun eigen weg gaan. Veel meisjessoldaten blijven daardoor met de zorg voor hun kinderen achter, een situatie die even onhoudbaar als stigmatiserend werkt. Slechts een handjevol van deze meisjes kan uiteindelijk weer bij de eigen families terecht. In sommige samenlevingen worden meisjessoldaten met kinderen juist uitgestoten, omdat men gelooft dat ze promiscue zijn, of hun kind iets duivels moet hebben.
Vooral zowel de jongens- als de meisjessoldaten en hun kinderen geldt dat ze vaak een hele slechte positie hebben in de samenleving. Ze hebben nooit een vak geleerd, ze kunnen vaak niet lezen en schrijven en ze hebben niemand die hen ondersteunt. Veel jongens komen daardoor in de criminaliteit terecht, veel meisjes worden prostituee om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Sommige meisjes zijn langdurig seksueel misbruikt en hebben daar soms levenslang lichamelijke problemen van. Lichamelijke problemen die soms eenvoudig op te lossen zijn.
PIJLERS VOOR HULPVERLENING
Nietsdoen voor kindsoldaten omdat het stigmatiserend zou werken, is geen verstandige zet. De ervaring leert dat wanneer de bevolking uitgelegd wordt waarom hulpverlening voor ex-kindsoldaten noodzakelijk is, dat ook geaccepteerd wordt. Zolang men niet het idee heeft dat kindsoldaten beloond worden voor slechte daden, staan ‘burgers’ vaak positief tegenover hulpverlening aan kindsoldaten. Met name als een oorlog al een tijdje geleden afgelopen is, en onder de bevolking nog steeds angst heerst voor ex-kindsoldaten, bestaat er onder de bevolking zelfs behoefte en vraag naar hulpverlening aan ex-kindsoldaten.
In Sierra Leone, waar de meeste ex-kindsoldaten in 1999-2000 werden gedemobiliseerd, is deze behoefte duidelijk aanwezig. Nietsdoen betekent in het geval van Sierra Leone bijvoorbeeld dat vertrouwensrelaties maar moeizaam opgebouwd worden, en dat dat stabiele vredesopbouw in de weg staat. Angst voor een herhaling van het verleden weerhoudt mensen ervan in zichzelf of in hun toekomst te investeren. Terwijl die investering juist hoognodig is om het land in economisch en sociaal opzicht opnieuw op te bouwen. Zolang er onder de bevolking angst heerst dat ex-kindsoldaten niet veranderd zijn, omdat ze bijvoorbeeld alleen maar rondhangen en niets te doen hebben, of zelfs in de criminaliteit belanden, En daarnaast is hulpverlening in veel gevallen noodzakelijk omdat kindsoldaten weliswaar gewelddadig gedrag uit zichzelf weten af te zweren, de kwaliteit van hun levens is vaak echter zeer slecht.
Omdat hen te vaak valse beloften zijn gedaan (bijvoorbeeld bij hun gewapende groepering, maar ook tijdens het reïntegratieproces door instituties of organisaties, durven ze niemand in vertrouwen te nemen. Kindsoldaten moeten zelf manieren ontwikkelen om aansluiting te zoeken bij de gemeenschap, en dat kunnen ze alleen als ze zeker zijn van hun eigen positie. Weten waarom ze gevochten hebben, bijvoorbeeld, kan een groot verschil maken. Op school, in lessen over oorlogsgeschiedenis, kunnen kindsoldaten leren hoe de oorlog nou echt in elkaar stak, en leren ze te reflecteren op hun eigen rol in de oorlog. Programma’s zouden scholen kunnen helpen een lespakket op te stellen, waarin kindsoldaten en hun leeftijdsgenoten leren over de oorlog, en de rol van kindsoldaten. In hulpverlening zou meer aandacht besteed moeten worden aan reeds volwassen ex-kindsoldaten die geen of niet afdoende hulp hebben gekregen bij hun integratieproces.
Projecten voor kindsoldaten zouden eerst en vooral om lange termijn reïntegratie moeten gaan, want stabiliteit en zekerheid is voor ex-kindsoldaten het allerbelangrijkst om hun leven weer op te kunnen bouwen. Door middel van scholing, vaardigheidstrainingen, het helpen opstarten van kleine ondernemingen, het helpen zoeken naar een baan, bijvoorbeeld, krijgen (ex) kindsoldaten de tools in handen weer grip op hun leven te krijgen, zodat ze zelf een nieuwe toekomst op kunnen bouwen. Hoognodig, want na de oorlog belanden veel (ex) kindsoldaten in uitzichtloze situaties, waarin de stap naar de criminaliteit klein is. Voormalig kindsoldaten moeten weer meedoen aan het leven, en dat lukt ze alleen als ze volledig geaccepteerd worden door de samenleving. Door ze meer kennis te geven, en hun levensinstelling te veranderen, kunnen (ex) kindsoldaten net als ieder ander een mooie toekomst voor de boeg hebben!
Inhoud:
Dit rapport werd samengesteld door de Kindsoldaten Coalitie Sierra Leone (ex-kindsoldaten in Sierra Leone), en opgesteld door antropologe Ginny Mooy. De inhoud van dit rapport mag vrijelijk gedistribueerd worden voor educatieve doeleinden.
Eindnoten
[i] European Commission report: Support to humanitarian operations in the West Africa Coastal Region.
[ii] Mooy 2007: 63
[iii] Graca Machel was de echtgenote van voormalig president van Mozambique Samora Machel, en is de huidige echtgenote van voormalig president van Zuid-Afrika Nelson Mandela.
[iv] Stavrou et al.: 2000
[v] Peters et al. 2003: 13
[vi] Rosen 2005: 5
[vii] Singer 2005: 46
[viii] Rosen 2005: 14-15
[ix] Singer 2005: 4-5
[x] Rosen 2005: 11
[xi] Gray 2003: 51
[xii] Twum-Danso 2004
[xiii] Leão 2004: 31
[xiv] Wessels 1997
[xv] Twum-Danso 2004: 13
[xvi] Ebo 2004: 128
[xvii] Boyden 2000
[xviii] Singer 2005: 81
[xix] Peters 2004: 6; Bennett 1998; HRW 2003; Utas 2003: 15; Rosen 2005: 17
[xx] Singer 2005: 61
[xxi] Mooy 2007; Annan 2008
[xxii] Brett & Specht 2004; ILO 2003; Utas 2003; Bennett 1998; UNICEF 2002; Aning & McIntyre 2004: 70; McIntyre 2004; Stavrou, Stewart & Stavrou 2000; Peters & Richards 1998
[xxiii] Brett & Specht 2004; ILO 2003
[xxiv] Mooy 2007
[xxv] Boyden 2000
[xxvi] Singer 2005; ILO 2003; Peters et al. 2003; Mawson 2004
[xxvii] Mooy 2007
[xxviii] Summerfield 2000: 424
[xxix] Boyden 2000
[xxx] Summerfield 2000: 430; Mooy 2007; Mooy 2008; Peters 2006; Shepler 2004; Annan 2008












