- Acties (5)
- kindsoldaten (4)
- Magazine (2)
- Media (3)
- nieuws (5)
- Ontwapen (34)
- Projecten (1)
- Uit het veld (5)
- Vacature (1)
- voorlichting (10)
Archive for January 2010
In de schoenen van een kindsoldaat
Wat een kindsoldaat is, behoeft nog maar weinig uitleg. We kennen allemaal de foto’s en de nieuwsbeelden over deze jonge meiden en jongens, die meevechten in oorlogen. En toch, hoewel de beelden voor zich spreken, heersen er vele vragen over dit fenomeen. Want hoe is het nou eigenlijk om als kind te moeten vechten? Films als Wit Licht en Blood Diamond lichten een tipje van de sluier op, maar dan wel van buitenaf bekeken. Met een gekleurde bril. Dat moet ook wel, want het onderwerp is ingewikkeld, en dat kan je in een film nu eenmaal niet goed uitbeelden.
Uit de oppervlakkige beelden en berichten die we over kindsoldaten te zien en te horen krijgen, komt een beeld naar voren van kinderen die hun levenlang gewelddadig zullen zijn. En ernstig getraumatiseerd. Een vraag die dan ook veel gesteld wordt, is of kindsoldaten ooit weer normaal kunnen worden. En dat is is logisch, die vraag, want wij zijn er toch ergens van overtuigd dat wanneer iemand één keer heeft gemoord, hij voor altijd een moordenaar zal blijven. En hoe logisch en normaal die gedachte voor ons ook is: voor de kindsoldaten is dat nogal oneerlijk. Zeker als je je bedenkt dat ze al zoveel moeten doorstaan om hun verleden achter zich te laten, en na afloop van de oorlog weer door hun gemeenschappen geaccepteerd te worden. De extra last die wij ze erbij geven, door ze te behandelen als ‘verpest voor het leven’, heeft ongewild een vreselijke uitwerking op hun levens.
We bedoelen het goed, want we zijn oprecht met hun lot begaan. We zouden er zelf niet aan moeten denken, dat we als kind zouden zijn gedwongen mensen te vermoorden. En we kunnen het ons ergens ook niet goed voorstellen, dat we dat ooit zouden hebben kunnen doen. We zien onszelf nog met barbies en de dardabaan spelen. Oorlogje spelen hebben we misschien wel gedaan, maar in alle onschuld. Als iemand ons gedwongen zou hebben met echte kogels te schieten, dan hadden we vast geweigerd. We weten immers hoe slecht het is om mensen te vermoorden. Thuis, op je bank in het veilige Nederland, is dat ook een hele normale gedachte. En goed ook, want als we ons te levendig zouden kunnen indenken dat we zelf ook in staat zouden zijn om mensen te vermoorden, weet je nooit wat er gebeurt.
Toch ga ik je vragen om dat te doen. Je in te leven in een kindsoldaat. Maar dan echt. Ga er even rustig voor zitten, sluit je af, en doe je ogen tussen de zinnen door zoveel mogelijk dicht. Stel jezelf voor in een stoffig landschap, met vervallen, kapot geschoten hutten aan de ene kant, en een prachtig groene bush aan de andere kant. Je bent een jaar of 8. Om je heen woedt een wrede oorlog. Achter één van de hutten komt een horde uitzinnige rebellen tevoorschijn. Ze hebben grote kapmessen en geweren. De grootste rebel is de leider. Hij heeft een zwarte bandana over zijn rechteroog. Over zijn andere wang, loopt een dik en gevaarlijk uitziend litteken. Je opa en oma worden te pakken genomen en vermoord, voor je ogen. Het geschreeuw en gegil is ijzingwekkend. Het lijkt wel alsof dat het ene geluid is wat nog in je oren kan suizen. Iedereen stuift een andere kant op. De rebellen schieten in het wilde weg. Je vader pakt je op en rent samen met jou en je moeder het dorp uit, richting bush.
De gevaren van de bush zijn al genoeg om je vreselijk veel angst aan te jagen. Hoe vaak hebben ze je niet verteld dat je nóóit de bush in mag? Het zit er vol met gevaarlijke beesten. Je bent bang, maar daar is geen tijd voor. Je vader zet je neer tussen de gewassen. Je moet lopen, en blijven lopen, uren achtereen. Dagen achtereen. Je voeten branden, en je maag doet zeer van de honger. Dan loop je met je ouders in een hinderlaag. Angstaanjagende rebellen nemen je vader te grazen. Ze hangen een autoband om zijn nek en steken het in brand. Je vader vergaat van de pijn. Je moet meer dan een uur naar zijn doodsstrijd kijken, terwijl de rebellen daar de grootste plezier om hebben.
Dan pakken ze je moeder, en verkrachten haar voor je ogen. Ze slaan en schoppen haar op haar hoofd, in haar buik en in haar rug. Daarna krijgt ze er met een riem van langs. Het enige wat jij kan denken is: ze gaan me pijn doen. Je zou willen vluchten, maar je bent bang dat ze je dan dood zullen schieten. Dat heb je in je dorp zien gebeuren. En je weet dat dat ongelofelijk veel pijn zal doen. Als de rebellen je een mes in je handen drukken, om je moeder daarmee te vermoorden, begin je te huilen. Je eigen moeder! Dat kan je echt niet. Eén van de rebellen begint je te slaan en te schoppen. Zo ongelofelijk veel pijn heb je nog nooit van je leven gevoeld. Je wil maar één ding: dat de pijn stopt, en dat je het overleeft. Doodsbang ga je je moeder te lijf. Je weet echt niet wat je moet doen. Alles gaat ineens als in een waas. Je hebt er alles voor over nu gewoon veilig te zijn.
Doodsbang en trillend op je benen word je meegenomen naar een trainingskamp. Je krijgt eten, eindelijk, na dagen met een lege maag door de bush te hebben rondgelopen. Je krijgt drugs, waardoor je hoofd gaat tollen en je eindelijk de herinnering aan de dood van je ouders voor even kunt vergeten. Het had je bijna halfgek gemaakt. Je krijgt alcohol, waardoor je je een beetje vrolijk gaat voelen. En belangrijker: er zijn heel veel grote soldaten die je veilig houden. Je hoeft niet meer op de vlucht, en je hoeft niet meer bang te zijn voor pijn. Je mist je vader en je moeder vreselijk, maar de soldaten houden je zo druk bezig, dat je nauwelijks tijd hebt om daarover na te denken. Je leert allerlei nieuwe dingen. Als je niet goed je best doet op de taken die de soldaten je geven, riskeer je een flinke afranseling. En dat ene vriendje die je in het kamp hebt weten te maken, hebben ze al doodgeschoten omdat hij ongehoorzaam was.
De rebellensoldaten leren je dat moorden goed is. Iedereen hitst je op om het te doen. Net zoals je niet wist of het nou wel of niet mocht, om een konijn in het bos pijn te doen, weet je ook niet of het wel of niet goed is om mensen te vermoorden. Maar de volwassenen zeggen dat het goed is. En je hebt geleerd dat volwassenen altijd gelijk hebben. Hoe meer mensen je vermoordt, hoe beter de soldaten je behandelen. Iedereen is trots op je. En iedereen heeft respect voor je. Maar dan komt er een tijd waarin je je niet zo lekker voelt. Je moet toch mee gaan vechten, maar je bent niet scherp. Er is één laf jongetje, die al heel lang een hekel aan je heeft. Hij is jaloers, want hij durft zelf niet te moorden, en daarom krijgt hij vaak slaag, en krijgt hij heel weinig te eten. Als je op de vijand afrent, schiet het jongetje je in je rug. Gelukkig, het is een schampschot, maar het scheelde niet veel. Als je niet snel ingrijpt, schiet het jongetje je de volgende keer misschien wel dood. Daarom moet je hem laten zien dat jij dapper bent, en veel sterker dan hij.
In het kamp besluit je hem in elkaar te slaan, zodat iedereen kan zien wat er gebeurt als ze jou proberen neer te schieten. Het werkt. Het jongetje durft zijn jaloezie niet eens meer te laten zien. Als je in de toekomst respect wil houden, weet je wat je te doen staat. De andere jongens en meisjes laten merken dat ze met jou niet kunnen spotten. En dat doe je dan ook. Na zes jaar is het vechten heel normaal voor je geworden. Het is het leven. En van de tijd voordat je mee moest vechten, herinner je je nog maar weinig. Oorlog is het leven. Maar dan kondigt iemand ineens aan dat het vrede is. Maar wat is vrede? Je moet je wapen inleveren. Maar dat zie je niet zitten. Wat moet je zonder wapen beginnen? Als er gevechten zijn, ben je weerloos zonder geweer. Je weigert dan ook, maar je hebt geen keuze. Ze nemen je geweer af, en je wordt in een kamp gezet. Sommige jongens hebben nog een mes, of een ander wapen, en constant breken er onderling gevechten uit. Iedereen is volkomen in de war. Er is ineens geen commandant meer, dus willen alle jongens de baas zijn.
In het tehuis zijn een aantal volwassenen. Ze organiseren sportwedstrijden, en spelletjes. Leuk, maar soms lopen ook die uit op gevechten. En ze vertellen je rare dingen. Dat wat je gedaan hebt, niet goed is. Dat je nooit meer mag doden. Dat het heel erg slecht is om geweld te gebruiken. Je weet niet goed wat je ervan moet denken. Als de vijand voor je neus staat, moet je dan gewoon afwachten totdat hij jou vermoordt? En er is je altijd verteld dat moorden en geweld gebruiken juist heel goed is. Misschien zijn de tehuismensen volkomen gek. Maar het zijn burgers, die altijd voor zich hebben laten vechten. Waarschijnlijk weten ze niet beter. In het tehuis ben je constant bang dat de vijand je zal overmeesteren. Je zou er heel wat voor over hebben om weer aan een wapen te komen, maar je weet niet hoe. De andere jongens praten nauwelijks met je. Iedereen wil zich bewijzen, en niemand weet echt wat er gaande is. En bovendien: iedereen verveelt zich rot, de hele dag in het tehuis. Er is niets te doen. En dat leidt tot rottigheid. Je voelt je hopeloos. Wat moet je doen? Je voelt je een gevangene. En wat gaat er eigenlijk met je gebeuren?
Je doet je best om je hetzelfde als alle burgers te gedragen. Dat gaat moeilijk, want niemand legt het je uit, maar met veel vallen en opstaan leer je het. Je maakt wat vrienden, en iemand biedt je de kans om naar school te gaan. Dat wil je graag, want je hebt inmiddels geleerd dat scholing de enige manier is om een baan te krijgen. Maar hoe hou je jezelf staande als je hele dagen naar school moet? Hoe kom je aan geld voor eten? Waar krijg je onderdak? Bij wie kan je terecht voor hulp en advies? En welke richting moet je studeren? Van geweld weet je inmiddels dat dat thuishoorde in de oorlog. Een tijd waarin alles op zijn kop staat. Vrede, zo blijkt, is het ‘normale’ leven. Maar wat mensen ook over je zeggen: jij weet dat je geen andere keuze had dan te moorden tijdens de oorlog. Anders was je er zelf niet meer geweest. En dat je alles overleefd hebt, daar ben je trots op. Je begrijpt heel goed wat het verschil is tussen oorlog en vrede. In oorlog doen mensen dingen die niet normaal zijn, en in oorlogstijd vallen er doden. In vredestijd hoeft dat allemaal niet meer. Er kan niet zomaar een vijand uit het niets komen, die je dood wil hebben. Je zweert het geweld voorgoed af. Je wil normaal zijn, bij de andere mensen horen. Een toekomst opbouwen, en voor jezelf kunnen zorgen. Niemand zal jou in de toekomst nog iets wijs maken. Of iets goed of slecht is, dat wil je zelf voortaan kunnen bepalen. En oorlog? Dát nooit meer….












